Preken

Job 38, 1-21 en 40,15-32; Job 40,1-14 en 42 | ds. L.A. van Baardewijk

Job (4e)

Lezen: Job 38, 1-21 en 40,15-32; Job 40,1-14 en 42
Loosdrecht, 26-08-07

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

De grootste stap die je als mens kunt maken, is misschien wel je eerste stap!

Moet je bedenken:
altijd ben je als mens aan het groeien,
je doet ervaringen op waar je van leert,
je verbreed je horizon door te lezen of in je werk door een cursus,
je hoort nieuwe dingen,
je gaat van de ene levensfase naar de andere.
Dat vinden we vaak heel wat.

Maar de grootste stappen die je in je leven doet, doe je in je eerste jaren.
Inderdaad, als je overgaat van kruipen naar lopen, letterlijk de eerste stappen.
Wat een wereld ontdek je dan, met vallen en opstaan (dat wel!).
Je kunt in principe overal naar toe, de overkant van de kamer, de tuin in, de wijde wereld in.
Het is niet alleen dat je makkelijker van A naar B kunt,
maar het is allereerst een verkennen en een verleggen van grenzen, een zelfstandig-worden.
De wereld ligt aan je voeten.

Maar dat is niet de enige stap.
Denk ook aan taalontwikkeling: als je je door woorden kunt gaan uitdrukken.
Ipv huilen en schreeuwen ga je woorden vormen die veel preciezer duidelijk maken wat je wilt en wat er in je omgaat.

En denk ook aan het moment dat je je het alfabet leert, leert lezen en schrijven.
Wat een enorme wereld van kennis en verbeelding ga je dan binnen!
Dan wordt de hele wereld op termijn toegankelijk,
eerst eenvoudige kinderboeken, maar vanzelf steeds ingewikkelder,
totdat je boeken leest die je ouders niet meer begrijpen.
Het is niet te onderschatten wat een enorme groei en ontwikkeling je als mens doormaakt.

En zo gaat het altijd verder in een mensenleven:
leren, groeien, ontwikkelen, verkennen van grenzen en verleggen van grenzen.
Op een gegeven moment ga je het huis uit waar je bent opgegroeid,
een eigen leven leiden.
Mensen gaan reizen, niet alleen maar naar de bekende vakantielanden, maar ook naar andere werelddelen, Afrika, Azië, de wereld ontdekken die steeds weer groter en wijder blijkt te zijn.

Je gaat meningen vormen, over het geloof, over de samenleving, de politiek, de wetenschap, je eigen terrein, maar vaak hebben we over van alles en nog wat onze mening.
Je begint dingen onder de knie te krijgen en te beheersen.
Je begint verantwoordelijkheid op je te nemen.

Zo gaat het altijd maar door in je leven:
je zet stappen die net zoals je eerste stappen altijd een verbreding van je horizon zijn.
Heeft God het leven ook niet zo bedoeld?
Heeft Hij ons niet geschapen om te reiken naar de grenzen van ons kennen en ons kunnen?

Ja, en daar kan het ook misgaan.
Dat we denken dat we heel wat zijn, dat we álles kunnen, dat we álles weten.
Je kunt als mens jezelf voorbijlopen in dat verleggen van de grenzen.
Dan ga je in je overmoed en je hoogmoed denken dat je God zelf bent
en dat de gang en de regering van de wereld maar het beste aan jou overgelaten zou kunnen worden...

Zoiets was er aan de hand met Job.
Job die door zijn lijden grote vragen had gekregen bij de gang en de regering van de wereld.
Die zijn verhaal bij God zelf wilde doen en God aanklaagde.

Als de vrienden van Job zijn uitgesproken, ook Elihu, de vriend die aan het eind van de gesprekken nog het één en ander zegt, als alle menselijke stemmen zijn uitgestorven, en uiteindelijk God het woord neemt, als Hij uiteindelijk begint te spreken vanuit de storm, dan is alles wat Hij zegt terug te voeren tot één vraag:
ben jij Job, ben jij als ik die de wereld geschapen heeft?!
Ben jij, een gewoon mens, de schepper van alle dingen, dat je dit allemaal kunt zeggen?
Nou, als je het allemaal zo goed weet, leg het me dan maar eens uit!

Ik heb in de eerste preek over Job al gezegd dat als je in het boek Job een antwoord op de vraag naar het lijden zoekt, dat je dan misschien wel teleurgesteld kunt raken.
Er kunnen momenten in je leven zijn dat je daar mee bezig bent, omdat het anderen in je omgeving treft, een verlies, ziekte,
of omdat je er zelf door getroffen wordt.

Dan wil je antwoorden op de vraag waarom zulke dingen toch gebeuren?
Waarom laat God dat toe?
Wat wil Hij ermee?

Eenmaal aan het eind van dit lange boek gekomen, komt Gods antwoord uit de storm,
majesteitelijk en indrukwekkend, maar is het wel een antwoord?
Dat kun je je afvragen.
God zelf verschijnt aan Job, maar geeft hem geen verklaring van zijn lijden.

Er wordt wel gezegd dat God geen antwoord geeft,
maar dat zijn verschijning het antwoord is.
In het leven, zo zeggen we dan, worden niet al onze vragen beantwoord, we moeten leven met heel veel onduidelijkheden.
God zelf is het antwoord.

Ik heb toen gezegd dat dat wel heel mooi klinkt,
maar dat je je kunt afvragen of je in het boek Job wel een antwoord op de vraag naar het lijden kunt verwachten.
Want gaat het boek daar wel over?
Of is het grote thema dat je ziet oprijzen achter het thema van het lijden – dat inderdaad één van de thema's van dit boek is- niet een ander thema,
en dat is het thema:
Wie is God?
Wie is de mens voor God?

We hebben vorige week gezien dat Job in een geweldige strijd terecht is gekomen.
In een geweldige strijd: wie is God?
God lijkt een vijandgod te zijn, zoals Job Hem dagelijks meemaakt, de God die Hem tegenwerkt, die hem het leven zwaar maakt, maar is Hij dat werkelijk?
Zijn er niet diepten in God waarin Hij niet een vijand voor hem is,
maar een vriend, een losser, een pleitbezorger?
We zagen dat Job op een intense manier verlangt naar God en aan Hem bleef vasthouden.

Als je het zo bekijkt, dan is het logisch dat God niet met een verklaring komt,
maar dat Hij zichzelf laat zien.
Alles lijkt dan op z'n plek te vallen.
Natuurlijk is de vraag naar het lijden, de waarom-vraag, daarmee niet weg.
Maar die komt op een andere plaats te staan.
Zoals Job aan het eind zijn hand op zijn mond legde en geen woord meer sprak.
Stil werd voor God.
Dat komt straks.

Ja, want eerst wil ik laten zien dat het antwoord van God uit de storm dan wel misschien niet direct ingaat op de vraag naar het lijden, maar in alles wel ingaat op wat Job gezegd heeft.
Hoofdstuk 38 tot 41 heeft alles te maken met Jobs klacht en zijn gesprek met de vrienden.
God gaat wel degelijk in op de klacht van Job zoals hij die in hoofdstuk 3 heeft uitgesproken.

Hoe zou dat ook anders kunnen?
Het zou toch vreemd zijn dat je zulke enorme dingen meemaakt en naar God toegaat en dat Hij dan komt met:
kijk eens naar het nijlpaard en de krokodil!
In hoofdstuk 40 komen we dat tegen,
uitgebreide beschrijvingen van de 'behemoth' (lett.groot dier, monster) die we herkennen als het nijlpaard en de leviathan, die we kunnen herkennen als de krokodil.
Alsof God ons de dierentuin van de schepping laat zien als antwoord op de grote vragen van het leven.

Zo kennen we God toch niet?
Natuurlijk heeft alles wat God zegt, te maken met het leven en het leed van zijn dienaar Job.
Natuurlijk heeft alles wat God tegen ons zegt, te maken met ons leven.
Dat betekent niet dat het ons meteen duidelijk is of dat we niet stiekem iets anders verwacht hadden, dat is iets anders,
maar natuurlijk laat God je niet in de kou staan als je Hem zoekt en je vragen bij Hem neerlegt.

Dan nu Gods antwoord uit de storm waarin dat zichtbaar wordt.
Wat had Job gezegd?
Job had gezegd: ik wilde dat ik niet geboren was, ik wou dat ik dood was!
Job had God aangeklaagd als de Schepper van zijn leven en als de schepper van zijn levensloop.
Hij wist wie hij zelf was en dat hij onschuldig was,
maar wie is God die hem dit heeft laten overkomen?
Wie is God eigenlijk?
Dat was hij zich gaan afvragen.

Gods reactie uit de storm gaat precies in op dat punt dat Job God had aangeklaagd.
God zegt:
"Wie is het die mijn besluit bedekt
onder woorden vol onverstand?"

Het is alsof God van zijn troon opstaat en nu deze man, Job, tot zwijgen wil gaan brengen.
God heeft hem laten spreken, Hij heeft hem gehoord, hij heeft hem ruimte gegeven om zijn klachten te uiten, maar nu moet er een reactie komen, nu moeten de dingen rechtgezet worden.
Want Job heeft God aangeklaagd.
Hij heeft gezocht naar God, hij heeft in God gezocht naar God, naar een vriend, iemand die voor hem kan opkomen, maar daarbij heeft hij de grenzen tussen God en mens uit het oog verloren.
Hij heeft niet alleen God gezocht, maar God ook aangeklaagd:
dat betekent dat hij God tot verantwoording heeft geroepen, alsof hij geen gewoon mens is, maar meer dan een mens.
Hoe kan een mens ooit aan God vragen: wat doet u?!

God zegt dat Job zijn besluit heeft verduisterd en dat hij dwaze woorden gesproken heeft.
Hij heeft God ter verantwoording geroepen, alsof hij naast God op de troon zit, alsof hij de leiding van zijn leven en van de wereld wel even kan overnemen, alsof hij de schepper is van alle dingen.
Hij heeft het besluit van God, alles wat voortkomt uit zijn liefde en zijn trouw, verduisterd, alsof die leiding van God niet als een helder licht schijnt in deze wereld.
God is toch liefde en trouw?
God is God!

En dan komen de vragen van God waarin Hij pijnlijk scherp laat zien dat Job een mens is en dat hij te hoog gereikt heeft, dat hij vragen gesteld heeft die te ver gaan, dat hij grenzen verlegd heeft die niet verlegd mogen worden, dat hij als mens God op de vingers heeft gekeken, ja Hem zelfs op de vingers heeft getikt.

"Sta op, Job, wapen je; ik zal je ondervragen,
zeg mij wat je weet".
En dan komt het!
"Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet?" (vers 4).

God zegt: ik heb de aarde geschapen.
Weet jij wat dat betekent?
Jij die wat te zeggen denkt te hebben over wat ik doe!
Maar heb ik je toen gezien toen ik in mijn wijsheid daarmee bezig was.
Nee, dat kan ik me niet herinneren.
Het lijkt alsof je erbij was, maar volgens mij was je daar helemaal niet bij!

En zo stelt God de ene vraag na de andere aan Job, vol ironie en humor.
Scherp, pijnlijk scherp.

En je ziet Job als het ware kleiner en kleiner worden totdat hij uiteindelijk niets meer te zeggen heeft
En hij zegt halverwege:
"Ik ben onaanzienlijk, wat zal ik u antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer, tweemaal
– en doe er het zwijgen toe" (40,3-5).

Nee, God boort hem niet de grond in.
God spreekt over wie Hij is, Hij openbaart zich, in confrontatie met de overmoedige woorden van Job, maar Hij haalt Job niet onderuit, Hij verplettert hem niet onder zijn machtige woorden, nee, God brengt Job weer tot wie hij is, een mens, die moet buigen voor God, in zijn hele leven, maar vooral als hij getroffen wordt door het lijden.
Job reikte boven het mens-zijn uit, God brengt hem nu weer terug tot wie hij werkelijk is, wie hij is... voor God.

God gaat vooral in op Jobs vervloeking van zijn geboortedag (Job 3).
Hij had daarmee een oordeel uitgesproken over God die hem in het leven heeft geroepen.
En daar zie je dat God op reageert in hoofdstuk 38.

Was je erbij Job toen ik de wereld schiep, de aarde geboren liet worden?
Jij vervloekt je geboortedag, vervloek je daarmee niet mijn scheppingswerk?
Als jij er niet had moeten zijn, zeg je dan niet dat de hele wereld er niet had moeten zijn?
Was je erbij toen ik dat glorieuze werk van de schepping deed, toen de morgensterren jubelden en de zonen van God, de engelen, het uitschreeuwden van vreugde? (vers 7).
En jij maakt dat geweldige besluit van mij om de wereld en het leven te scheppen duister,
tot iets wat niet had moeten gebeuren.
Maar wat weet je van het begin van alle dingen, van het waarom van de schepping, van het waarom van mijn werk?
Wat kun je daar als mens over zeggen?
Kun jij alles overzien, kun jij de knoppen bedienen die ik moet bedienen?

In Job 38 reageert God en Hij antwoordt Job wel degelijk.
Hij tekent zijn schepping als een geboorte:
verwekt door goddelijke liefde, bewust gewild,
toegejuicht door de engelen, glorieus zichtbaar geworden.
Dat is heel typerend in het licht van Jobs vervloeking van zijn geboortedag,
de schepping als een geboorte.
Nogmaals, daarmee gaat Hij precies in op Jobs klacht in hoofdstuk 3.

Als we zeggen dat Job geen antwoord krijg van God, dan is het toch wel vreemd dat hij aan het eind de hand op de mond legt en zwijgt.
Er komen geen woorden meer van zijn kant, geen klachten en geen aanklachten, God heeft gesproken en Job heeft hem nu werkelijk ontmoet zoals Hij is:
"Eerder had ik slechts over u gehoord,
maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd", (42, vers 5).

Ja, Hij is God en geen mens, Hij heeft gesproken wat hem onderscheid van de mens, wat Hij gedaan heeft in het vroegste begin, Hij heeft gesproken over het begin en het geheim van de schepping en dan ziet Job: ik ben een mens, ik ben niets in vergelijking met u.
"Wie was ik dat ik door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten."
(42,3).

Het is alsof de vragen van Job in de reactie van God tot zwijgen zijn gebracht.
Alsof er geen vragen meer te stellen zijn.
Alsof die vragen opeens verdampt zijn.
Job heeft God zelf ontmoet en die ontmoeting heeft zijn lijden en zijn vragen in een heel ander perspectief gezet.
Hij heeft gezien wie God is en dat de vervloeking van zijn leven een aanklacht is tegen de schepping, alsof hij het geheim van die schepping kent, een aanklacht tegen de schepper zelf.
Hij heeft gezien dat geen mens in zijn leven en in zijn lijden zulke dingen kan zeggen, dat geen mens die grens ongestraft kan passeren, dat het allemaal te groot voor hem is,
en Job herroept aan het eind zijn woorden.
Hij is stil geworden voor God.

En dan het slot van het boek Job, de cirkel lijkt weer rond te zijn.
Gaat het daar toch weer niet over de rijkdom die mensen buiten God kunnen hebben?
Zijn we nu niet weer terug bij af, bij hoofdstuk 1, toen de satan zei:
neem Job alles af en dan zullen we wel eens zien of Hij u aan het dienen is of de goden van het geld en de aardse dingen?

Maar ik zie er iets in van vertrouwen.
Daarmee laat het boek Job heel onbevangen zien dat het goed zat tussen God en Job.
Er is iets gebeurd wat Job totaal veranderd heeft, de ontmoeting met God zelf.
Nu is alles goed.

Zo goed dat je dit rustig kunt vertellen:
ja, Job kreeg alles terug, dubbelvoudig zelfs.
Hij kreeg nog een nieuw gezin, zeven zonen en drie dochters,
Ja, zegt de schrijver bij wijze van spreken, laat ik zelfs vertellen dat die dochters Duifje, Kaneelbloesem en Oogschaduw heetten en dat de dochters van Job de mooiste vrouwen in het hele land waren.
(Bijna te mooi om waar te zijn, maar Jobs leven was dan ook te waar geweest om mooi te zijn).
En de schrijver eindigt met: en Job leefde nog jaren en jaren en stierf pas toen hij verzadigd van het leven was.

Het kan geen kwaad dat allemaal maar te vertellen, op risico dat het al te mooi eindigt.
Dat kan geen kwaad, want Job had God ontmoet, hij had de hand op de mond gelegd en niet meer tegen hem gesproken, het zat goed tussen God en hem, echt helemaal goed, daar kon geen aanklager meer tegenop.
Job had zijn plaats als mens weer ingenomen onder God, de schepper, de heer van het heelal.
Ja, en dan twijfel je niet meer aan dat geloof, dan is dat zuiver en goed.

Twijfel daaraan, dát zou nu echt iets zijn voor de meester van het wantrouwen, de satan...of voor kwaadwillige stemmetjes in ons zelf die twijfelen aan het goede, het schone en het ware...

Amen.