Preken

Job 16 en 29, 1-6 en 42,1-6 | ds. L.A. van Baardewijk

Job (3e)

Lezen: Job 16 en 29, 1-6 en 42,1-6
Loosdrecht, 19-08-07

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Vorige week zei ik dat het boek Job gaat over dé grote vraag van het leven!

De vraag naar God!

Wie is Hij in mijn leven?

Wie ben ik tegenover Hem?

Dat is de grote vraag waar het ook in het NT om gaat bij de verschijning van Jezus Christus.

Zoals de mensen als ze Jezus meemaken dan zo vaak zeggen: wie is toch deze?

Ik vroeg me vorige week ook af waarom die vraag in het boek Job zo beklemmend klinkt.

Waarom die vraag naar God en de persoonlijke kennis van God zo'n weinig bevrijdende, verlossende kleur heeft.

Als nieuw-testamentische christenen weten we toch dat het gaat om het evangelie, het goede nieuws van de bevrijding en de verlossing door Jezus Christus?!

Maar je vindt in het boek Job zo weinig van de vreugde van de verlossing.

Vorige week hebben we geluisterd naar Job 3 waar Job zegt:

voor mij hoeft het leven totaal niet meer!

De vervloeking van zijn geboortedag en zijn schokkende loflied op de dood.

Je kunt je de vraag stellen of je daar als nieuwtestamentische gemeente wel zo uitgebreid bij moet stilstaan!

De reacties waren vorige week wat gemengd (als ik het goed beluisterd heb):

sommigen vonden het wel wat erg somber, anderen vonden het goed dat het in de kerk ook een keer over deze duistere kant van het leven gaat.

Ik hoop in ieder geval dat de preek u niet meteen weer heeft losgelaten...

Ondertussen ligt het boek Job er.

En blijft dat boek ons uitdagen.

Uitdagen om het een tijdlang uit te houden met de vragen van Job.

Zijn vragen tot de ónze te maken, als ze al niet de onze zijn...

De uitdaging te ervaren die er uitgaat van zijn woorden.

Ik hoop dat u dat ook voelt als we er - zoals vanochtend weer – in lezen.

Die uitdaging, de vraag om het wat concreter te maken:

hoe kijk ik nou aan tegen mijn leven, bijv. als je Job hoort zeggen:

voor mij hoeft het leven niet meer.

Hoe is dat bij jezelf?

Hoe kijk je zelf aan tegen dat geschenk van de adem in je longen, het bloed in je aderen,

het geschenk van het leven, 'the gift of life'?

De vraag: blijf ik zelf in het spanningsveld van de grote vragen staan,

als het erop aankomt in mijn leven,

als je in het leven te maken krijgt met gebeurtenissen die je zelf niet gezocht hebt,

ervaringen die je pijn hebben bezorgd,

wendingen in je levensloop die jezelf niet gezocht hebt.

Blijf ik dan het contact met God zoeken en met Hem vechten

of zeg ik Hem vaarwel en ga ik voor Hem op de vlucht samen met vele andere mensen?

Als je het boek Job leest, wordt het voor jezelf dan ook de grote existentiële vraag:

wie is Hij toch?

Deze machtige God, schepper van alle dingen, de alwijze God, die zo'n wonderlijke weg met mensen gaat?

Wie is Hij toch werkelijk?

Het uithouden met de vragen van Job.

We willen vanochtend eerst eens kijken hoe de vrienden van Job het daar van afbrengen, want zij zijn samen met Job in dit boek hoofdstukkenlang aan het woord...

Hoe brengen zij het er vanaf oog in oog met zo'n beklagenswaardig iemand als Job en als ze horen wat er in zijn verdrietige hart omgaat.

Ze zijn gekomen, gedrieën, Elifaz, Bildad en Sofar, zijn bij Job in het stof gaan zitten,

hebben zeven dagen en zeven nachten gezwegen

en toen meegemaakt dat Job de stilte verbrak met zijn knetterende vloek:

laat hem vergáán, de dag dat ik geboren ben!

Hoe gaan zijn vrienden die gekomen zijn om Job te troosten daar nou op reageren?

Elifaz is degene die het eerst spreekt.

Hij is bewogen met Job en kent hem niet meer terug!

Ben jij degene die zoveel andere mensen in hun leed bijstond?

Wat is daar nu van over nu je zelf door het lijden getroffen wordt?

En Elifaz adviseert Job zich tot God te wenden en aan Hem het oordeel over te laten,

want zo zegt hij met de woorden van een visioen dat hij gehad heeft:

in Gods ogen is geen mens volmaakt.

Bildad is de tweede.

Hij weet goed hoe de dingen in elkaar zitten en komt meteen op voor het recht van God.

Hij vraagt: Is God dan onrechtvaardig?

En ook hij geeft een advies: als Job zich tot God wendt en zich voor Hem verootmoedigt, dan zul je zien dat het weer als vanouds wordt.

Want God veracht de onschuldigen niet.

De derde is Sofar die heel emotioneel reageert omdat hij voelt dat Job steeds meer God ter verantwoording wil roepen.

Sofar zegt: hoe zou je dat nou kunnen doen!

Heb je de bovenmenselijke kennis, de wijsheid van God?

En hij adviseert Job om in oprechtheid naar God toe te gaan, want zo zegt hij:

God doorziet alles, Hij ziet het kwaad en Hij laat het niet ongestraft.

Wie de moeite neemt om het boek Job in zijn geheel te lezen, ziet dat de gesprekken in verschillende gespreksrondes gaan.

De drie vrienden reageren op Jobs klacht in hoofdstuk 3 en telkens als er één gesproken heeft reageert Job daarop.

In totaal zijn er drie gespreksrondes.

Het zijn lange ingewikkelde monologen met uitgebreide uitweidingen waar je soms afvraagt wat het te maken heeft met het thema.

Je raakt de draad onderweg gemakkelijk kwijt.

Toch kan het je niet ontgaan dat de toon van de gesprekken steeds scherper wordt.

De discussie is dat de vrienden zeggen:

"Job, als we moeten kiezen tussen de rechtvaardigheid van God en jouw rechtvaardigheid, dan kiezen we voor de rechtvaardigheid van God.

Dat is niet zo moeilijk!

Luister: God is rechtvaardig.

Niemand lijdt onschuldig, want God zegent de rechtvaardige en straft de goddeloze.

Dus Job: je moet wel gezondigd hebben en schuldig staan voor God!"

Dat is het standpunt dat de vrienden ingenomen hebben en ze blijven bij dat standpunt wat Job ook zegt.

Job daarentegen houdt vast aan zijn onschuld.

In alle toonaarden blijft hij zeggen dat hij niet gezondigd heeft en dat God geen enkele reden heeft om hem het leven zo moeilijk te maken.

Het is alsof hij voor de rechtbank zegt: ik ben onschuldig!

De vrienden zeggen: Job, je moet naar jezelf kijken.

Job zegt steeds sterker: ik kijk niet naar mezelf alsof ik schuldig ben, ik kijk naar God!

Ik weet wat ik ben, ik ben onschuldig, maar wie is Hij?

Wat doet Hij met mij, dat klopt toch van geen kanten, wat voor leven laat Hij me nu leiden, Hij die notabene zelf het leven gegeven heeft!
Waar heb ik dit aan verdiend?!

Als ik het boek Job zo doorlees, dan krijg ik steeds sterker het gevoel dat de vrienden van Job het niet kunnen uithouden met de vragen van Job.

Ze kunnen hem niet meer volgen.

Ze zetten alles in een vast kader van:

niemand lijdt onschuldig, Job lijdt, dus moet hij schuldig zijn.

Ze gaan niet werkelijk mee met het diepe gevoel van Job dat het niet klopt.

Daarmee gaan ze al pratend over God en discussiërend over het het leven voorbij aan de concrete situatie van Job.

Ze komen met antwoorden die vaak heel erg goed klinken, ze zeggen prachtige dingen,

maar wat ze zeggen gaat ten diepste voorbij aan het concrete lijden van Job.

En dat zit vast op de dingen die ze van God zeggen.

Ik wil dat even terzijde naar voren brengen:

het is beslist niet zo dat de vrienden van Job onzin zeggen of dat hun redevoeringen niet bij het Woord van God horen.

Zo moet je Gods oordeel aan het eind van het boek niet opvatten.

Daar wordt God boos op de vrienden van Job en moet Job voorbede voor hen doen.

Dan zegt God tegen Elifaz:
"Ik ben in woede ontstoken over jou en je twee vrienden,

omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job" (42,7).

Zie je: niet juist over mij!

Daar spreekt God zijn oordeel over uit,

dat de vrienden God niet tot zijn recht hebben laten komen.

Dat oordeel gaat niet over alles wat ze gesproken hebben,

maar over wat ze over God gezegd hebben.

Dat de vrienden Job in zijn lijden geen recht hebben gedaan, komt omdat ze niet juist over God hebben gesproken.

Als je geen goed beeld van God hebt, niet leeft met Hem zoals Hij werkelijk is, kun je nooit anderen bij God brengen, laat staan de goede woorden spreken als iemand lijdt.

Job heeft dat heel goed aangevoeld.

Wat een armzalige troosters zijn jullie, zegt hij op een gegeven moment (...).

"Niets dan ellende brengt mij jullie troost", zegt hij in het hoofdstuk dat we gelezen hebben (Job 16,2).

De vrienden kennen hem niet werkelijk in zijn felle strijd met God.

Job is – ook door de gesprekken met zijn vrienden – volledig in het spanningsveld van de grote vragen komen te staan.

Hij is recht tegenover God komen te staan, omdat hij vindt dat hij recht tegenover God staat!

En dan zegt hij ongelooflijke dingen die je ademloos leest!

Zoals in hoofdstuk 16:

God, God heeft me aangetast, Hij heeft me ziek gemaakt, Hij valt me aan, Hij pakt me op en smijt me neer, Hij is als een vijand voor mij geworden.

Kijk naar me: ben ik niet geworden als iemand zonder God, een goddeloze, zo zie ik er toch uit?

Verbijsterend is dat hoe Job daar zijn leven met God omschrijft.

Of zoals hij dat doet in hoofstuk 29.

Dan zegt hij: God, Hij heeft zijn handen van me afgetrokken.

Eerst beschermde Hij me, maar daar is Hij duidelijk mee gestopt.

Was het maar in de dagen van vroeger, toen Hij voor me zorgde, toen ik als een vriend met Hem mocht omgaan, zijn vertrouwelijke omgang mocht kennen (hoofdstuk 29), toen het goed ging.

Dat is het verlangen van Job, dat het weer goed wordt tussen God en hem.

Dat heeft voor hem niets te maken met eventuele schuld zoals zijn vrienden hem aanwrijven.

Dat heeft te maken met het verlangen naar God, om weer vriendschappelijk met Hem om te gaan, om niet meer zo gekweld te worden.

We moeten dat niet maken tot:

Job wil gewoon weer zijn oude leven terug, zijn rijkdom, zijn kinderen, zijn gezondheid.

Natuurlijk wil hij dat ook, maar zijn strijd gaat veel dieper, hij weet dat hij tegenover God staat met zijn lijden.

Hij vecht met God, met God zelf.

Dat wordt telkens duidelijk als Job zegt dat hij bij God zijn recht wil zoeken.

Bijv. in hoofdstuk 13:
"Nu zal ik spreken tot God, de Ontzagwekkende,

ik wil me verdedigen ten overstaan van God".

"Maar toch, ik wil tot de Almachtige spreken,

ik wens mijn zaak te bepleiten bij God".

Vorige week zagen we al dat Job uitzag naar de losser, de goel, die voor hem zou kunnen opkomen (Job 19,25).

In hoofdstuk 16 zegt Job:
"Maar nog heb in de hemel mijn getuige,

nog heb ik daar mijn pleitbezorger.

Zijn mijn vrienden soms mijn voorspraak?
Nee, in tranen zien mij ogen op naar God" (16,19.20).

Het grote probleem van Job is dat hij bij God terecht wil voor iets dat God zelf hem gedaan heeft.

God is hem tot een vijand geworden,

maar voor Job is er niemand anders dan God die hem kan helpen.

Dat is het probleem van Job: hij wil God zelf tot verantwoording roepen!

Voor hem is dat de hoogste instantie, maar ook degene die hem het leven zo moeilijk maakt.

Je zou kunnen zeggen dat Job verlangt naar God,

maar dan naar een andere God dan die Hij nu meemaakt.

Hij verlangt naar de God van vroeger toen hij vertrouwelijke omgang met hem had, niet deze vijandgod!

Dat is zijn strijd.

Telkens is het: zien jullie het, vrienden, vrouw en wereld?!

Dit is mijn leven, maar dat is toch geen leven?

Ik ben ziek, van alles beroofd, er is niks meer over mijn oude leven, van mijn glorie en geluk.

Ik ben een vreemdeling geworden, niemand kent me meer.

Als ik mijn slaaf roep, dan antwoordt hij niet eens, ik moet hem smeken notabene!

Dit is mijn leven, maar dat kan toch niet waar zijn?!

Sterker nog, dit is mijn God, maar dat kan toch niet waar zijn, zo is God toch niet?

Je zou kunnen zeggen dat Job in de hemel zoekt naar een God bij wie hij terecht kan,

ja, dat hij bij God zelf zoekt naar een God van recht,

ja, nog meer dat hij in God zelf zoekt naar God!

Zo rechtstreeks is hij tegenover God zelf komen te staan dat hij binnen God zelf zoekt naar God.

Wie is God toch:

is Hij niet meer dan mijn vijand, waar alles op lijkt te wijzen,

of is er in Hem iets wat voor mij kan opkomen, een vriend, een losser, een pleitbezorger.

Job zoekt naar ruimte binnen de drieënige God nog voordat Hij zichzelf zo geopenbaard heeft.

Hij ziet in tranen op naar God, verlangend naar een andere openbaring van God.

Het is duidelijk dat de vrienden van Job zover niet zijn gekomen

en Job niet herkend hebben in dat verlangen.

Voor hen is God degene die de rechtvaardigen zegent en de goddelozen straft, die Job blijkbaar straft nu hij zo verschrikkelijk moet lijden.

Voor hen is God eenvoudig, ééndimensionaal, ongecompliceerd.

Maar Job laat in zijn spreekwoordelijke geduld zien dat er meer diepten zijn in God.

Dat Hij anders is.

De God die hij door zijn lijden pas echt heeft leren kennen:

"Eerder had ik slechts over u gehoord,

maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd" (Job 42,5).

Dat zegt hij nadat God zich in een storm heeft geopenbaard,

nadat de vrienden uitgepraat zijn,

nadat geen mens meer iets zinnigs heeft kunnen zeggen.

"Eerder had ik slechts over u gehoord,

maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd" (Job 42,5).

De God die onbegrijpelijke wegen met Job is gegaan,

maar hem niet aan die onbegrijpelijke wegen heeft overgelaten,

maar zelf verschenen is om zich aan hem te openbaren zoals Hij werkelijk is.

Amen.

Nieuwsbrieven

Aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.

Zoeken

Social