Preken

Job 3 en Job 19,25 | ds. L.A. van Baardewijk

Job (2e)
Lezen: Job 3 en Job 19,25
Loosdrecht, 12-08-07

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Zeven dagen en zeven nachten is het stil geweest rondom Job.
De onheilsboden zijn gekomen en hebben één voor één hun verschrikkelijke berichten aan Job doorgegeven.
Na de eerste aanval van de Satan om Job tot een vervloeking van God te krijgen, heeft Job zijn rijkdom en zijn kinderen verloren en na de tweede aanval van de Satan ook zijn gezondheid.
Zijn vrouw heeft hem aangeraden God alsnog te vervloeken en te sterven.
De vrienden zijn gekomen om Job te troosten.

Bij dat moment moeten we eerst stilstaan.
Want nu komt het moeilijkste:
Job heeft God niet vervloekt zoals de Satan had gedacht en verwacht.
Hij heeft God niet vervloekt, maar de naam van de Here gezegend:

"De Heer heeft gegeven,
de Heer heeft genomen,
de naam van de Heer zij geprezen" (1,21).

Hij heeft tegen zijn vrouw gezegd:

"Al het goede aanvaarden we van God,
zouden we dan het kwade niet aanvaarden?" (2,10).

Maar nu komt het moeilijkste, want nu komt Job rechtstreeks tegenover God zelf te staan.
Dat moeten we goed beseffen.
Op het moment dat je God in je leven vaarwel zegt, valt alle echte strijd in de relatie tussen God en jou weg.
Dan stap je uit het spanningsveld van de grote vragen
en hoef je je niet meer te confronteren met Hem.
Dan ga je je eigen weg, van God vandaan, op de vlucht voor God.
Dat is wat de Satan op het oog had:
Job alles afnemen, dan blijkt wel dat God helemaal niet zo'n grote plaats in zijn leven heeft.
Als je al die zegeningen wegneemt, kinderen, bezit, rijkdom, gezondheid, dan valt daarmee ook God zelf weg.

Job heeft God niet vervloekt en daarmee blijft hij in het spanningsveld van de grote vragen.
God, waarom?
Wie bent u eigenlijk?

Dat moeten we goed beseffen dat je als christen de moeilijkste weg kiest als je in God gelooft.
Als je in Hem gelooft, ook oog in oog met zoveel duistere kanten van het leven,
met zoveel ellende op aarde,
in de grote wijde wereld,
in de kring om je heen
of in je eigen leven.
De bekende vraag:
hoe kan er zoveel ellende zijn in een wereld die door een goede Schepper gemaakt heeft?
Die vraag hoef je niet te stellen als je niet in God gelooft,
of althans je bent er niet existentiëel mee bezig zoals een christen die gelooft dat die Schepper zijn hemelse Vader is die een verbond met je gesloten heeft.
Die vraag gaat pas leven als je én in deze wereld leeft met al zijn misere én tegelijkertijd in een goede God en een zorgende Vader gelooft.

Met het begin van Job 3 staan we dus bij iets heel adembenemend:
Job heeft zijn God niet vervloekt zoals de Satan wilde, dan zou het hiermee afgelopen zijn, maar Job heeft de moeilijkste weg gekozen door aan God vast te houden en nu begint de strijd van het geloof pas echt.
Nu komt alles op scherp te staan in de relatie tussen God en mens.
Als je wilt, als je het aandurft, dan kun je daar 35 hoofdstukken lang getuige van zijn, als je het aandurft zou ik bijna zeggen...

Ja, als je Job 3 leest, de klacht van Job over wat er gebeurd is, de vervloeking van zijn geboortedag, dan gebeurt er nog iets anders dan wat ik nu gezegd heb: namelijk dat je in het spanningsveld van de grote vragen komt.
Er gebeurt nog iets anders en dat is dat je jezelf niet erbuiten kunt laten!
Je raakt erbij betrokken en je wordt tot een reactie gedrongen, net zoals de vrienden van Job wel moesten reageren op wat Job zei.
Als je Job zo hoort klagen en zijn geboortedag hoort vervloeken, dan wordt je gedwongen naar jezelf te kijken:
Hoe kijk ik eigenlijk aan tegen het leven?
Wat zijn mijn woorden over het leven en de schepper van het leven?

Je kunt bij zulke woorden niet op een afstand blijven en doen alsof het niet over jezelf gaat.
Want de dingen waar Job het over heeft, raken ons allemaal.
Elk mens die het geschenk van het leven ontvangen heeft van God, maar in dat leven ergens onderweg te maken krijgt met gebeurtenissen die je zelf niet gezocht hebt,
ervaringen die je pijn hebben bezorgd,
wendingen in je levensloop die je niet vrijwillig gekozen hebt.
Ieder mens moet daar zijn weg in vinden, bij uitstek als je gelooft dat God je dat geschenk van het leven heeft gegeven.

Job spreekt over de grote dingen van het leven, maar roept met die woorden ook tegenspraak op.
Dat blijkt al uit de reacties van de vrienden in de gespreksrondes die er volgen.
Job heeft zijn klacht nog niet uitgesproken of Elifaz uit Teman gaat er al tegen in:
"kun je verdragen dat iemand zo tot je spreekt,
wie zou nu kunnen zwijgen?" (4,2).
Job, zo heb je nog nooit gesproken!

Ja, want als we Job 3 lezen, dan luisteren we wel naar iemand die dat zogenaamde 'geschenk van het leven' met plezier aan de schepper wil teruggeven!
Dat leven, dat 'cadeau' hoef ik niet, hier hebt u het weer terug!

Schrikwekkend is dat!
Dat het leven zo zwaar is, dat je dood wil!
Dat het leven en het lijden zwaarder is dan het zand van de zee, zoals Job ergens zegt 6,2).

Het is een herkenbare ervaring van veel mensen in onze tijd.
Als je kijkt naar de cijfers rondom zelfmoord en het aantal pogingen dat jaarlijks gedaan wordt, dat is ook in ons land een schrikwekkend hoog aantal.
En dan heb je het nog niet eens over het aantal mensen dat rondloopt met de gedachte of het wel eens overwogen hebben: zou het niet beter zijn als ik er niet was?
Alleen de gedachte al aan de dood als iets waarnaar je kunt verlangen of als een verbetering van je situatie of als een verlossing, is al schrijnend.
Hoe is het in de wereld mogelijk bij mensen die bestemd zijn om te leven?!

Als je zo de actualiteit naast de Bijbel legt, dan is het wel opmerkelijk dat de Bijbel deze realiteit raakt en onder woorden brengt.
Job geeft een stem aan het diepste leed dat er in een mens kan wonen.
Dezelfde Bijbel die vertelt over de Schepper en hoe Hij met hartstocht de wereld geschapen heeft en de mens heeft bestemd voor het leven, zelf de levensadem ingeblazen heeft.
Dezelfde Bijbel die zegt dat het goed is om te leven en te leven met God.
De Bijbel dat niet alleen het boek van de God van het leven is, maar daarin ook het boek van de levenslust, de levenskracht en het evangelie Jezus Christus, dat het evangelie van het eeuwige leven is!

Diezelfde Bijbel laat Job aan het woord, in zijn klacht.
Job die niet alleen dood wil, na alles wat hem overkomen is, maar zo ver gaat dat hij zelfs zijn geboortedag vervloekt.
Dan ga je heel ver, want daarmee zeg je: het was zelfs beter als ik nooit geleefd had.
Wanhoop met terugwerkende kracht.
Dan zie je niets goeds meer, niets heilzaams, dan zie je nergens meer een zin of bedoeling meer, of een uitweg uit de ellende.
Job zet zijn hele leven op het spel en ziet de Schepper zijn leven weven in de moederschoot zoals in psalm 139 gezegd wordt en hij zingt niet: hoe wonderlijk!
Nee, hij zegt: had Hij dat maar nooit gedaan, had Hij maar nooit die zaadcel en die eicel bij elkaar laten komen, was ik maar nooit ontstaan in dat vroegste begin, en toen dat toch gebeurd was, hadden ze maar laten aborteren...

Je hoort de diepe emotie als hij zijn klacht begint en zegt:
"Laat de dag dat ik geboren ben vergaan,
en ook de nacht die zei: een jongen is verwekt" (3,3).

Als die dag er niet geweest was en de nacht die getuige was van de geboorte van Job,
dan zou er niets gebeurd zijn, niets goeds, maar vooral ook niets slechts.
Dan zou de dag aangebroken zijn, de zon zou gaan schijnen, alle menselijke activiteit weer begonnen zijn, maar zonder Job, zonder de mens die deze ellende moet meemaken.
Dat zou nog beter zijn geweest, dan die geboorte, het moment dat ik in de wereld kwam.

Job vraagt zich af waarom hij dan niet na de geboorte gestorven is, zoals dat wel gebeurt.
Al die kwetsbare momenten in de vroegste wording van ons leven en bij onze geboorte, er kan zoveel misgaan, waarom is alles bij mij dan goed gegaan?!
Waarom waren er knieën op hem op te vangen en borsten om hem te voeden!
Waarom waren er mensen die voor hem konden zorgen?
Dat betekent leven, het leven dat hij niet meer wil.
De goede zorgen en zegeningen van God zijn voor Job kwellingen en vervloekingen.

Wat een intense wanhoop spreekt hier uit!
En het gaat nog verder:
Job laat zijn klacht omslaan in een soort loflied, niet op het leven, maar op de dood!

"In het dodenrijk worden de goddelozen stil,
zij die uitgeput zijn, vinden daar hun rust" (3,17).

Hij ziet de dood en het dodenrijk als iets positiefs,
als een plaats van rust waar je vrede kunt vinden,
bovendien eindigt daar ook de slechtheid van de goddelozen, het kwaad van mensen wordt door de dood weggenomen.
De dood is een verlossing, je kunt ernaar zoeken zoals je naar een schat zoekt, want daar in dat rijk van de dood is geen ellende meer, geen angst, geen leven, alleen maar stilte.
Jobs klacht is een loflied op de dood geworden.

Zoals altijd bij klachten en bij sombere uitspraken, uitspraken die tegenspraak oproepen, die te ver gaan, die bijna te bitter zijn om aan te horen (zie de reactie van de vrienden), misschien hebt u dat ook wel nu het over dit gedeelte gaat, dat het te zwaar is,
bij zulke klachten moet je het verlangen dat er in zit beluisteren.
Zulke bittere, zware taal is een wanhoopskreet:
alles lijkt hierop te wijzen, dit is nu mijn leven, mijn wereld, ik heb geen ander voedsel dan verdriet, mijn klachten stromen in een vloed van tranen (3,24), ik lijk te leven, maar wat is er nog over van mijn leven, was ik maar nooit geboren,
maar laat het niet zo zijn, alsjeblieft, laat het niet waar zijn wat ik zeg.

Uitspraken die tegenspraak oproepen, die extreem zijn, die zwaar zijn, kunnen uitingen zijn van diep lijden, dat soms niet eens zo zichtbaar is,
signalen van een ongelukkig mens,
iemand die op zoek is naar een ander beter leven.
Wie wijs is, luistert naar het verlangen achter de woorden.

Dat wordt ook in Job 3 zichtbaar.
Want Job vervloekt zijn geboortedag en zijn klacht wordt een soort lofzang op de dood en op het er niet meer zijn.
Maar er is iemand om wie hij niet heen kan als hij dat allemaal zegt,
en dat is God, dat is de schepper, de God die hem het leven geeft.
En let op: dat spreken over God, dat een verlangen is naar God, komt naar ons toe in de vorm van een wanhopige kreet, een aanklacht:

"Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen,
het leven aan verbitterden? (3,20).

"Waarom geeft God het licht aan hem
voor wie de weg verborgen blijft,
wie hij de weg verspert?" (3,23).

Job kan niet om God heen en dat komt op ons af als een aanklacht, een waarom-vraag, het laat zien dat Job tegenover Gód zijn klacht uitspreekt.
Zijn klacht is een aanklacht.
Zijn loflied op de dood is een roep van zijn hart naar de Schepper.

Job heeft de moeilijkste weg gekozen:
God niet vervloeken, dat betekent dat je recht voor Hem komt te staan.
Als je ervoor kiest niet voor Hem weg te lopen door Hem vaarwel te zeggen, dan betekent dat dat je rechtstreeks voor zijn aangezicht komt te staan.
Dan is Hij onontkoombaar.

Job uit dat ook meermalen in de gespreksrondes: dat Hij God tegenkomt.
Hij zegt: God verspert mij de weg! (3,23).
Ik kan niet meer leven, ik kan geen kant meer op, ik stuit op de overmacht van God, ik kom Hem zelf tegen.

Dat is het boek Job bij uitstek: je kunt allerlei thema's aanwijzen die ook aangewezen zijn.
Het lijden van de mens, de oorzaken van dat lijden.
Het gaat over liefde en trouw: houd je ook aan God vast, als je er geen voordeel bij hebt?
Het gaat over de macht van God en de kleinheid van de mens.
Als je het boek Job helemaal doorleest, dan kom je al die thema's wel tegen.

Maar de grote vraag is: wie is God?
Wie is Hij in mijn leven?
Wie ben ik tegenover God?
Dat is de grote vraag waar het om gaat in het boek Job.
De grote vraag waar het ook in het Nieuwe Testament om gaat bij de verschijning van Jezus Christus.

Maar je kunt je dan wel afvragen: waarom is die vraag zo beklemmend in het boek Job?
Waarom heeft die vraag naar God en de persoonlijke kennis van God zo'n weinig bevrijdende, verlossende kleur in dit boek?
Als nieuw-testamentische christenen weten we toch dat het gaat om het evangelie, het goede nieuws van de bevrijding en de verlossing door Jezus Christus.
Maar je vindt in het boek Job zo weinig van de vreugde van die verlossing.
We hebben vanochtend geluisterd naar iemand die zijn geboortedag vervloekt, een klacht die notabene omslaat in een loflied op de dood?!
Kun je daar als nieuw-testamentische gemeente wel zo uitgebreid bij stilstaan?!

Dat is een lastige vraag.
Blijkbaar moeten we eerst langs de diepste vragen van het mens-zijn voordat we horen van de verlossing door Jezus Christus.

Er is wel een tekst in Job waarin het licht van de verlossing opeens verrassend oplicht,
tussen alle moeilijke vragen die besproken wordt, tussen alle zware woorden.
Tussen alle wanhoopskreten een woord van diep vertrouwen in God.

En dat is in Job 19,25.
Daar zegt Job:
"Ik weet: mijn redder leeft, en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.
Hoezeer mijn huid ook is geschonden,
toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.
Ik zal hem aanschouwen,
ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander,
heel mijn binnenste smacht van verlangen".

Daar zwijgt Job over de dood en komt zijn verlangen naar de dood even op de achtergrond te staan.
Hier spreekt hij over het leven ergens buiten hemzelf, de redder, de losser die leeft.
Ik ben alles kwijt tot mijn gezondheid toe, ik ben levend dood, maar mijn losser, die zal opkomen voor mijn recht, zoals een losser doet, hij leeft!

Hier komt de verwachting naar boven dat God zal rechtspreken,
dat Hij het uiteindelijk goed zal maken, dat Hij Job in zijn recht zal herstellen,
dat Hij voor hem zal opkomen, zijn dienaar, zijn kind.
Dat is waar Job hartstochtelijk naar verlangt, niet naar de dood, maar naar de verlosser die niet dood is, die ook niet de dood is, maar de losser die leeft.
Hij verlangt naar God.

We mogen dan denken aan Christus die ons leven is.
Het vaste punt van ons leven waarvan we soms zeggen: dit is geen leven!
Naar Hem gaat ons verlangen uit.
Hij is de eeuwige God, de schepper, de verlosser.
Niet in onszelf, niet in dat kwetsbare leven met al zijn ellende en lijden,
kun je met Job zeggen,
maar alleen in Hem is het ware leven, het leven dat niet meer kapot kan!
Als je rechtstreeks tegenover God komt te staan, dan kijk je in de ogen van degene die je dat leven kan geven, de schepper, de levende God.

Amen.