Preken

Job 1 en 2 | ds. L.A. van Baardewijk

Job (1e)

Lezen: Job 1 en 2
Loosdrecht, 5-08-07
 
Gemeente van onze Here Jezus Christus,
 
U bent christen.
U gelooft in de drie-ënige God, u bidt dagelijks en u leest regelmatig in de Bijbel.
U gaat naar de kerk om samen met anderen God te prijzen.
U kent de opdracht om in het dagelijkse leven te laten zien dat God liefde is.
 
Maar hebt u nog nooit dat zeurende stemmetje in uw hoofd gehoord dat het misschien niet zo echt is allemaal en dat dat hele christen-zijn van jou misschien helemaal niet zoveel voorstelt?
Dat al die stralende woorden uit de Bijbel over ‘geestelijke volwassenheid’, ‘lijken op 
Christus’, ‘volmaaktheid’ op slag hun glans verliezen zodra ze in jou leven realiteit moeten worden?
Dat irriterende besef dat er zoveel ontbreekt aan je christen-zijn 
en dat je daar dagelijks wel tekenen van meemaakt?
De gevaarlijke gedachte dat er niet zoveel hoeft te gebeuren om je los van God te krijgen?
 
Gemeente, dat is de tegenstander van God, de satan, die dat soort gedachten lanceert en aanwakkert.
Hij is de meester van het wantrouwen, de stem dat een mens nooit helemaal goed kan zijn in Gods ogen, dat het schone, het goede en het ware niet meer dan lege leuzen zijn en facades waar niets dan eigenbelang en egoïsme achter zitten.
Het is de stem van het cynisme, dat niet gelooft in volmaaktheid en groei naar volmaaktheid, dat zich niet wil overgeven aan de wonderlijke weg die God met onvolmaakte mensen gaat.
 
Het is de stem van de satan die het geloof en de vroomheid van Job verdacht maakte en zei:
”Job, rechtschapen en onberispelijk? 
Die man die God vreest en het kwade mijdt? 
Ach, beste God, dat is niet omdat hij u zo toegewijd is, 
maar omdat hij zoveel moois van u heeft gekregen in het leven!
Dat geloof van Job, dat betekent kinderen, zonen en dochters, dat betekent schapen en geiten, kamelen, runderen, ezelinnen, slaven en slavinnen, dat betekent aanzien.
U denkt toch niet dat er ook maar iets van zijn geloof overblijft op het moment dat hij al die gaven van u niet meer heeft?
Haal het maar weg, dan zult u het zien, 
dan blijft er niets meer over van zijn geloof, 
dan zal Hij u naam ‘zegenen’!
 
Weet u, met al die zeurende vragen van de satan, de aanklager, zoals hij ook wel genoemd wordt, staat God zelf op het spel.
Hij zegt eigenlijk: Job is niet bezig met u te vereren, maar de goden van zijn rijkdom en zijn bezit, zijn kinderen, zijn gezondheid, zijn leven. 
Achter die verering van u, staan heel andere goden.
Het gaat helemaal niet om u, maar om die schepping.
Is het sowieso niet heel vreemd om van die mensen te verwachten dat ze in een zichtbare wereld die ze van alles te bieden heeft, dat ze in zo’n wereld zullen kiezen voor een onzichtbare God?
Wat bent u toch goedgelovig, God!
 
Job 1 en 2 is natuurlijk een heel apart verhaal.
God en de satan die met elkaar afspreken dat Job alles ontnomen mag worden: zijn kinderen, zijn bedrijf en zijn rijkdom en nog een stap verder, zelfs zijn gezondheid.
Alles mag hem ontnomen worden, behalve zijn leven.
De satan doet het, maar God laat het toe.
Is dat niet heel erg vreemd?
 
Ik kan daar natuurlijk onmogelijk een antwoord op geven.
Ik weet niet of ik de Bijbel of het geloof moet verdedigen (alsof de Bijbel en het geloof dat nodig hebben)!
Wat ik wel kan doen is mijn enthousiasme doorgeven dat ik heb over het enorme vertrouwen dat God blijkbaar in Job had.
Hij wist het: mijn knecht Job, want die eretitel krijgt Job bij voorbaat al (zie vers 8), mijn dienaar Job, zal het hier zwaar mee krijgen, hij zal misschien langs het randje gaan van een afscheid van mij, maar hij zal het kunnen volhouden en dan zal hij zeker beloond worden.
Wat een geweldig vertrouwen in de mens spreekt daaruit.
Dat staat toch wel in een schril contrast met het wantrouwen dat we in onze wereld voortdurend inademen, ook in onze tijd, in onze samenleving, dat nare stemmetje van de aanklager, het goede, het ware en het echte, het zijn niet meer dan facades die de leegte verbergen.
 
Nee!
God denkt totaal anders over Job en over ons mensen!
Hij heeft vertrouwen dat de band die Hij met ons heeft ongelooflijk sterk is.
Nu dat op het spel stond en Gods betrouwbaarheid koos God ervoor om dat in het leven van Job te laten zien, dat Hij zijn dienaren op aarde heeft die Hem werkelijk prijzen om wie Hij is, die als het erop aankomt de Gever prijzen en niet de gaven die Hij geeft.
De werken Gods moesten in Job zichtbaar worden, zoals Jezus zou zeggen over de blindgeborene in Johannes.
 
En zo heeft God de satan de ruimte gegeven om zijn vreselijke werk te doen.
Job verliest in één dag zijn zeven zonen en drie dochters, zijn bedrijf, zijn vee en zijn knechten.
Bijna alle gaven die de Gever in het leven aan ons mensen geeft zijn nu weg, behalve zijn gezondheid.
Zal Job nu God vervloeken, of zoals de satan heel ironisch zegt: dan zal hij u wel ‘zegenen’!
Ja, het is bijna verbijsterend, maar we horen na al die rampspoed die op één dag op Job afgolft, we horen hem zeggen:
”Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. 
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, 
de naam van de Heer zij geprezen!” (vers 21).
 
Job zegent inderdaad, hij zegt: de naam van de Heer zij geprezen, gezegend, nee, niet ironisch zoals de satan dacht in zijn wantrouwen, dan zal die knecht van u u wel zegenen, maar echt.
“Ondanks alles zondigde Job niet en maakt hij God geen enkel verwijt” (vers 23).
 
Nadat Job ook zijn gezondheid verloren heeft blijft hij aan God vasthouden.
Ook al zegt zijn vrouw dat hij nu God maar moet vervloeken om te sterven, toch zegt hij:
”Al het goede aanvaarden we van God, 
zouden we dan het kwade niet aanvaarden?” (2, vers 10).
En opnieuw bevestigt de schrijver het ongelooflijke wat hier gebeurt:
”Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord”.
 
De rest van het boek Job is één getuigenis van de grote moeite die Job heeft gehad met zijn lijden.
Hij heeft God niet vervloekt, hij heeft vastgehouden aan God, maar dat betekent geen berusting, geen passiviteit.
Nee, Job laat zijn hart spreken, in de gesprekken met zijn vrienden die naar hem toe zijn gekomen, geprikkeld door hun stelling dat hij wel gezondigd moet hebben, hij klaagt en gaat in gevecht met God.
Je kunt nooit zeggen dat hij in zijn vasthouden aan God niet als een echt mens heeft gereageerd.
Want echt menselijk zijn zijn gevoelens, zijn klagen en zijn wanhoop.
We zullen daar de komende tijd bij stilstaan.
 
Ter inleiding in deze inleidingspreek wil ik nog iets algemeens zeggen over het boek Job.
Dat heeft te maken met de verwachting waarmee je dit boek gaat lezen.
Misschien bent u wel eens begonnen met het lezen van het boek Job, misschien omdat het gaat over het lijden.
Er kunnen momenten in je leven zijn dat je daar mee bezig bent, omdat het anderen in je omgeving treft, een verlies, ziekte, of omdat je er zelf door getroffen wordt.
Dan wil je antwoorden op de vraag waarom zulke dingen toch gebeuren?
Waarom laat God dat toe?
Wat wil Hij ermee?
 
Misschien ben je dan ook wel teleurgesteld geraakt in het boek Job.
Want als je aankomt in de laatste hoofdstukken, als je zo ver bent doorgedrongen in dit lange boek, dan zul je niet zomaar een antwoord vinden.
God zelf verschijnt aan Job, maar geeft hem geen verklaring van zijn lijden.
Er is wel gezegd dat die verschijning van God zelf het antwoord is op Jobs lijden.
Niet al onze vragen worden beantwoord, we moeten leven met heel veel onduidelijkheden.
God zelf is het antwoord.
 
Nu klinkt dat heel mooi, maar ik vraag me af of het grote thema van het boek Job het lijden is.
Dan zou je inderdaad een antwoord verwachten.
Natuurlijk gaat het boek Job over het lijden van Job, maar achter dat thema kun je een ander thema zien dat te maken heeft met de grote vraag wie God is.
Er zijn verschillende aanwijzingen voor die gedachte en ik wil de komende tijd het boek Job zo met u lezen.
Niet als een boek dat een antwoord geeft op de vraag naar het lijden, ook al gaat het daar zeker over in het boek Job, maar als een boek dat gaat over God en wie Hij voor ons is.
Dat thema zie je oplichten achter het verhaal van Jobs lijden.
 
Ik liet er al iets van zien toen ik het had over de cynische vraag van de aanklager: 
“zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor u hebben?”
Daar begon de ellende mee.
 
Het wordt ook zichtbaar in het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 42, waar Job zegt:
”Eerder had ik slechts over u gehoord,
maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd”.
 
Zo kun je het boek Job ook lezen: niet vanuit de verwachting dat het gaat over het lijden, maar in de verachting dat het ons iets vertelt over wie God is en hoe Hij ons nabij wil komen.
God kennen, niet van veraf, als een onbekende, of als iemand die je kunt vormen naar je eigen gedachten, zoals de vrienden van Job deden, maar van dichtbij, zoals Hij is, zoals Hij zich laat kennen.
Door alles van alles leven heen, ook alle moeiten, wie is Hij werkelijk? 
Deze God, deze machtige wonderlijke God die mensen het leven geeft?
Dat is de grote vraag van het boek Job: wie is Hij toch?
 
En dan gaan we met het boek Job niet op zoek naar kennis van God, zodat je na een tijdje de eigenschappen van God kunt opnoemen, maar vanuit de verbazing en de verwondering: wie is Hij toch, net zoals de mensen zich over Jezus Christus verbaasden toen ze Hem bezig zagen: wie is toch deze dat Hij dit doen kan?
Die verbazing die zo gemakkelijk kan omslaan in ergernis, omdat God zo groot is en zo machtig, Job worstelt hoofdstukken lang met deze God, verbijsterende dingen horen we dan uit zijn mond, maar deze verbazing, deze verwondering, dit ontzag dat God zichzelf laat zien, niet vanuit de verte, maar dichtbij.
 
Uiteindelijk heilzaam dichtbij, zoals ook Job erkende.
God aan wie Hij bleef vasthouden, zegende hem.
Job bleef geduldig aan Hem vasthouden, zoals het in het NT ook gezegd wordt, denk aan het geduld van Job en kijk naar het einde van zijn leven, hoe hij gezegend werd door God.
Hij kreeg in zijn uitzien naar God en zijn geduld, God zelf, de Gever en daarmee alle gaven.
 
Ik houd deze inleidingspreek op het boek Job bewust op een avondmaalszondag.
Want wat we nu gehoord hebben heeft alles met het avondmaal te maken.
Dat God nabij is, dat we Hem zo mogen kennen, dat Hij heilzaam nabij is, dat mogen we in het avondmaal ervaren.
Het avondmaal, het getuigenis van Gods geloof in ons, waar we niet naar toe gaan omdat we volmaakt zijn, maar juist omdat we alles van Christus verwachten.
De aanklager mag klagen wat Hij wil en dat stemmetje van het wantrouwen kennen we misschien ook zelf, maar als je gelooft in Jezus Christus mag je in vertrouwen bij God komen.
Je mag erop vertrouwen dat het goed is tussen God en jouw, dat geen enkele zonde meer tussen Hem en jou kan instaan, dat al je zonden verzoend zijn.
 
Onvolmaakte mensen bij een volmaakte God.
De aanklager lacht schamper, maar God ontvangt ons als een Vader, liefdevol, barmhartig, ruimhartig en we mogen komen, vertrouwend op zijn welkomstwoord: 
ja, dan weet je: ook mij aanvaard Hij, ook ik ben welkom, ik word door Hem gekend als een kind. 
 
Amen.